Naturalisatiewet 1850

STAATSBLAD

van

HET KONINGRIJK DER NEDERLANDEN


(No. 44.)  W E T van den 28sten Julij 1850, ter uitvoering van art. 7 der Grondwet.

Wij WILLEM III, bij de gratie gods, koning der nederlanden, Prins van oranje-nassau, groot-hertog van luxemburg, enz., enz., enz.

Allen die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat er noodzakelijkheid bestaat, om, met het oog op de artt. 5 en 6 der Grondwet, uitvoering te geven aan het 1ste lid van art. 7 dier wet, alsmede om door de wet te doen verklaren, wie als ingezetenen te beschouwen zijn, en dat het wenschelijk is bij de wet de algemeene voorwaarden en vormen vast te stellen, naar welke de hoedanigheid van Nederlander bij wege van naturalisatie in ieder bijzonder geval zal kunnen worden aangevraagd en verleend; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Art. 1.

Nederlanders, ten aanzien van het genot van burgerschapsregten, zijn:

  1. die geboren zijn uit ouders binnen het Rijk in Europa gevestigd;
  2. die, binnen het Rijk in Europa uit aldaar niet gevestigde ouders geboren, binnen het jaar nadat zij den vollen ouderdom van 23 jaren hebben bereikt, hun voornemen om daar te blijven wonen aan het bestuur hunner woonplaats hebben verklaard; Zij echter welke dien ouderdom bij de afkondiging dezer wet reeds hebben bereikt, kunnen die verklaring nog gedurende het jaar na die afkondiging doen.
  3. die genaturaliseerd zijn;
  4. die van de in de voorgaande nummers genoemden afstammen, ten ware de geboorte op een tijdstip mogt hebben plaats gehad, waarop de ouders in een der termen van art. 9 waren vervallen.

Art. 2.

Natuurlijke, door eenen Nederlandschen vader erkende, kinderen; natuurlijke, door den vader niet erkende kinderen eener Nederlandsche vrouw; vondelingen binnen het Rijk in Europa, die aldaar verbleven zijn tot aan den vollen ouderdom van 23 jaren, zijn met hunne afstammelingen, overeenkomstig de bepaling van no. 4 van het voorgaand artikel, eveneens Nederlanders.

Art. 3.

Gevestigd of ingezetenen zijn, die binnen het Rijk in Europa hebben gewoond:

  1. gedurende de drie laatste jaren
  2. gedurende achttien maanden na aan het bestuur hunner woonplaats het voornemen tot vestiging te hebben verklaard

Nederlanders zijn gevestigd of ingezetenen, die gedurende de laatste achttien maanden hunne woonplaats binnen het Rijk in Europa hebben gehad.
Nederlanders, die ter zake van 's Lands dienst in een vreemd land wonen, worden voortdurend als ingezetenen beschouwd.
De bepalingen van ingezetenschap, in het bijzondere wetten voorkomende, gelden alleen voor zooveel betreft de onderwerpen, in die wetten behandeld.

Art. 4.

Zij, op wier staat van Nederlander de afscheiding der voormalige Nederlandsche provincien, welke thans het Koningrijk BelgiŽ uitmaken, van invloed heeft kunnen zijn, doch die tijdens de bekrachtiging der tractaten van den 19den April 1839 (Staatsblad no. 26), binnen het Rijk in Europa of in de kolonien of bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen, hunne woonplaats hadden, of er zich binnen twee jaren na dat tijdstip hebben nedergezet, en sedert hunne woonplaats hebben gehouden, of tijdens zij die woonplaats hadden, overleden zijn, zijn Nederlanders, of worden gerekend, die hoedanigheid tot aan hunnen dood te hebben bezeten.

Art. 5.

De vereischten om te kunnen worden genaturaliseerd, zijn:

I. de volle ouderdom van drie en twintig jaren;
II. een gevestigd verblijf in het Rijk in Europa, of in de kolonien of bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen gedurende zes achtereenvolgende jaren, met het verklaard voornemen om er gevestigd te blijven.

Art. 6.

Bij het in te dienen verzoekschrift om naturalisatie worden gevoegd:

a. de geboorte-acte van den verzoeker, of zoodanige andere acte, welke volgens het regt van het land, waartoe hij behoort, daarvoor in de plaats treedt;

b. het bewijs van het gevorderd zesjarig verblijf;

c. een bewijs, afgegeven door het bestuur van de plaats binnen welke de verzoeker gevestigd is, der door dezen voor hetzelve afgelegde verklaring, dat hij voornemens is in het Rijk in Europa, of in de kolonien of bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen gevestigd te blijven.

Art. 7.

De naturalisatie kan mede verleend worden ter belooning van uitstekende diensten, aan het Rijk in Europa of deszelfs kolonien of bezittingen in andere werelddeelen bewezen, of om andere overwegende redenen van staatsbelang.
De artt. 5 en 6 zijn daarbij niet van toepassing.

Art. 8.

Aan ieder, die door de wet genaturaliseerd is, zullen door Ons brieven van naturalisatie worden uitgereikt.

Art. 9.

Het genot der regten, door de naturalisatie verkregen, vangt aan zoodra de wet, waarbij zij verleend is, van verbindende kracht is geworden, en de genaturaliseerde aan het bestuur zijner woonplaats de geregistreerde brieven van naturalisatie vertoond, en de verklaring heeft afgelegd, dat hij de naturalisatie aanneemt.
Indien, in het geval van art. 7, de genaturaliseerde buiten 's lands woont, geschiedt de aanneming bij verklaring aan den Minister van Buitenlandsche Zaken. Bij die verklaring moet een afschrift van de geregistreerde brieven van naturalisatie overgelegd worden.
Behalve in het geval van art. 7, vervalt de naturalisatie indien de aanneming niet binnen zes maanden heeft plaats gehad, nadat de wet, die haar verleend heeft, van verbindende kracht is geworden.

Art. 10.

De staat van Nederlander wordt verloren:

  1. door het aannemen van naturalisatie in een vreemd land;
  2. door buiten Onze toestemming zich in vreemde krijgsdienst te begeven, of openbare bedieningen aan te nemen, welke door eene vreemde regering zijn opgedragen;
  3. door een vijfjarig verblijf in een vreemd land, met het kennelijk oogmerk om niet terug te keeren.

Het oogmerk om terug te keeren wordt geacht te bestaan bij buitenlandsch verblijf in verband met inlandsche handels-inrigtingen.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle MinisteriŽle Departementen, Autoriteiten, Collegien en Ambtenaren, wien zulks aangaat, aan de naauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven op het Loo, den 28sten Julij 1850.

                                           WILLEM

De Minister van Binnenlandsche Zaken,

Thorbecke

De Minister van Justitie,

N. v. Rosenthal

Uitgegeven den negen en twintigsten Julij 1850.

De Staatsraad, Directeur van het Kabinet des Konings,

                               s. p. l'honor….   l. D.

naar boven

last update:18-08-2008